Icarusblauwtje in de Gaas


De Icarusblauwtjes zijn weer in de Gaas te vinden.

Het icarusblauwtje is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
Veel vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden ze soms aangezien voor een bruin blauwtje. De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.

Verspreiding
Het icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.

De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rupsstadium.

Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.

Voedselplanten
De rupsen worden gevonden op diverse planten uit de vlinderbloemenfamilie als sikkelklaver (Medicago falcata), hopklaver (Medicago lupulina), kleine klaver (Trifolium dubium), gewone rolklaver (Lotus corniculatus), moerasrolklaver (Lotus uliginosus), paardenhoefklaver (Hippocrepis comosa), bont kroonkruid (Coronilla varia), kattendoorn (Ononis spinosa) en kruipend stalkruid (Ononis repens). De jonge rupsen mineren.
Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Vink in de Gaas

Een prachtige Vink met een mooie vinkenslag in de Gaas.

De vink (Fringilla coelebs), ook wel boekvink, bokvink of botvink genoemd, is een zangvogel. In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige. Zijn zang, waarvan de laatste tonen de “vinkenslag” wordt genoemd, kent vele dialecten.

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.

Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.
Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Lathyrus Tuberosus ( de aardaker)

Lathyrus Tuberosus ( de aardaker)

Gisteren een wandeling gemaakt langs het spoor, dit is een flora en fauna gebied, je komt er mooie wilde bloemen tegen.

Botanische beschrijving

De overblijvende, kruidachtige klimplant met platte stengels wordt ongeveer 30-100 cm lang. De circa 2 cm lange bloemen zijn rozerood tot violet van kleur en groeien in trossen van drie tot acht stuks. De plant bloeit in juni en juli. De bloemen worden bestoven door vlinders en door bijen uit de geslachten: Eucera, Megachile, Osmia en Trachusa. De bloemen geuren.
De bladeren zijn geveerd. Het onderste, solitaire deelblaadje is ovaal en de einddeel blaadjes bestaan uit gedeelde ranken, waarmee de plant zich vasthecht. De middelste deelblaadjes zijn langwerpig hartvormig.
De plant is een hemikryptofyt. Zijn ontkieming is tweedelig. Het bovenste gedeelte van de kiemwortel en het hypocotyl verdikken zich tot een eerste knol. Uit de bladoksels van de kiemblaadjes en de onderste blaadjes van de liggende, beginnende groeistengel groeit tot een tot 60 cm lange bodemuitloper. Deze uitlopers vertakken zich verder en de in de bodem liggende knopen vormen zich tot knollenvormingen wortels. Na drie tot vier jaar bereiken deze knollen de volle grootte en zijn dan net zo groot als hazelnoten. De plant wortelt tot 70 cm in de aarde. De soort vermeerdert zich vegetatief door de ondergrondse uitlopers en in het bijzonder door de knolletjes.

Standplaats
De aardaker groeit in akkerranden en in wegbermen op kleigrond. Ze prefereert kalkhoudende grond, maar is hier niet tot beperkt. Volgens de Duitse ecoloog Heinz Ellenberg is de aardaker een typische soort die op schrale grond groeit tussen de akkerkruiden bij graanvelden.

De plant heeft meerdere alternatieve namen: aard eikel, aardmuis, muizen met staartjes, varkensnoot, aardnoot, aardkastanje, grondboon, koffieboon, zeugboon en grond peer.

Bescherming
Deze plant is in Nederland officieel beschermd en staat in België op de rode lijst. In sommige deelstaten van Duitsland staat deze plant ook op de rode lijst van bedreigde plantensoorten.

Bron: Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Voedertijd voor de kleine bonte Spechten

 

De kleine bonte specht vertoont qua gedrag en leefwijze veel overeenkomsten met de grote bonte specht. Ook de sterk golvende vlucht van beide vogels lijken sterk op elkaar. De kleine bonte specht brengt het grootste deel van de dag door in de bovenste boomlagen. ’s Nachts slaapt hij in oude nestholtes. De broedtijd van de kleine bonte specht ligt in de maanden maart tot augustus, afhankelijk van de regio. In een groot deel van Europa worden de eieren van laat april tot begin mei gelegd. In Noord-Afrika en Scandinavië is dit respectievelijk twee en drie weken later.

De nestholte wordt in een boomstam of in een sterke tak uitgehakt, meestal in zacht, dood hout. Soms wordt echter een oude nestholte of een natuurlijke boomholte gebruikt. De kleine bonte specht maakt een vlieggat met een diameter van 3 tot 3,5 centimeter doorgaans tien tot twintig meter boven de grond. De nestholte zelf is 10 tot 18 centimeter diep en is op de bodem bedekt met houtkrullen en fijn zaagsel. Een schacht verbindt de holte met het vlieggat en kan relatief lang zijn. Vaak bevindt de eigenlijke holte zich dertig centimeter of meer onder de ingang. Het broedsel bestaat uit vier tot zeven glanzende witte eieren van ongeveer 19 bij 14,5 millimeter. Deze worden in elf à twaalf dagen door beide ouders uitgebroed.

Na achttien tot twintig dagen vliegen de jongen uit. Er wordt per broedpaar jaarlijks slechts één legsel grootgebracht. Het komt vaak voor dat een vrouwtje met twee mannetjes paart en derhalve twee legsels produceert.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden